Strijkkwartetten

Zoals iedereen weet gaat klassieke muziek zwaar gebukt onder hardnekkige en moedeloos makende vooroordelen. Gelukkig heeft de redacteur van TivoliVredenburg daarvan geen last, als muzikale omnivoor staat hij open voor alles en vindt het allemaal geweldig. Nou, mooi niet dus. Mahler en Sjostakovitsj troffen me bij de eerste noten die ik van hen hoorde als een mokerslag, maar het heeft jaren geduurd voordat strijkkwartetten mijn comfortzone bereikten. Omgekeerd was het klassieke strijkkwartet voor mij lange tijd een van de meest onneembare bastions van de klassieke muziek. De reden: vooroordelen.

Tekst: Reinen Dercksen

Mijn hele jeugd en nog lang daarna associeerde ik strijkkwartetten met deftigheid, klemmende omgangsvormen, Salzburg, Wenen, salons, gepoetste schoenen, gekamde haren, snobisme, parelkettingen, pochetten, de Kleine Zaal van het Concertgebouw, bourgeoisie, kouwe kak. Ik zei al: ook ik heb last van vooroordelen en als ze eenmaal zijn ingesleten, dan zitten ze als een oude jas, niks meer aan verstellen, lekker veilig.

Spoilertje: tussen mij en strijkkwartetten kwam het helemaal goed, wees gerust. Maar eerst moet ik het plaatje met wat zwarte tonen verder inkleuren. Dan komt al snel je jeugd om de hoek kijken. In de zuil waarin ik opgroeide bestonden strijkkwartetten domweg niet. In de gereformeerde omgeving van mijn jeugd draaide alles om psalmen, koren, orgelmuziek (dat kind heb ik godzijdank niet met het badwater weggegooid), Bach, de Matthäus-Passion en later orkestmuziek. Veeg je dat allemaal op een hoop, dan kom je uit bij genres die cirkelen rond massaliteit, vol op het orgel, flink uitpakken, saamhorigheid met balkons en zijbeuken. Subtiliteit voerde daarbij doorgaans niet de boventoon. Dan kom je van ver als je opeens wordt geconfronteerd met een strijkkwartet van Schubert of Mozart. Die laatste componist hielp ook al niet om mijn appreciatie van het genre op te krikken. (Gevaarlijk terrein, kom ik later misschien nog eens op terug.)

Het werd nog wat erger. Eind jaren tachtig, begin jaren negentig was het vermaarde Vermeer Quartet bijna kind aan huis in Muziekcentrum Vredenburg. Dat bestond al zo’n beetje twintig jaar en speelde in de World League van de strijkkwartetten. In die tijd was ik suppoost en was altijd in de buurt van musici als ze vanuit de publieksfoyer via een zijdeur van het podium van de Kleine Zaal opkwamen. Niemand die oog had voor een student in een onopvallende zwarte outfit en ongepoetste schoenen maar ik had op mijn beurt wel oor voor wat de musici vlak voor de openingsmaten van Mozart KV 464 bespraken. ‘Zeg, heb jij het programma nog een beetje doorgenomen?’, vroeg de primarius aan de alt. ‘Nou, het is toch wel weer een paar maanden geleden dat ik ernaar heb gekeken. Maar no worries, het komt vast goed.’

Conclusie die ik toen trok: strijkkwartetten kun je dus op routine spelen, zeker in combinatie met een ijzeren repertoire. En dat raakt weer aan een ander euvel van strijkkwartetten. Ik had het idee dat ze, meer dan andere bezettingen, het vaste stramien volgden van ‘The Rise and Fall of String Quartet X’. Orkesten vernieuwen zich constant en krijgen zo nu en dan een boost van een nieuwe chef-dirigent of gastdirigent maar de meeste strijkkwartetten zien zich ooit voor de vraag gesteld: gaan we door tot na ons pensioen, geven we over een paar jaar de pijp aan Maarten of stoppen we op ons hoogtepunt? Je zegt dan dat strijkkwartetten een ‘gerijpte’ toon hebben, maar ze lopen dus ook het risico dat die toon overgaat in een overrijpe, melige klank. Aangezien spelen in een strijkkwartet topsport is (daar ben ik inmiddels wel achter gekomen), hebben strijkkwartetten ook niet de luxe om net als veel popgroepen, als alle ruzies zijn bijgelegd en het geld op is, te overwegen om na dertig of veertig jaar nog eens een comeback-tour te maken of op pad te gaan met ‘The Best of’. Of je gaat door, of je stopt, een tussenweg is er niet. Details over vetes tussen de strijkers, of het feit dat ze zich in verschillende taxi’s laten vervoeren of niet in hetzelfde hotel wensen te overnachten, laat ik verder rusten. Overigens een opvallende overeenkomst met popgroepen.

Beeld: Vermeer Quartet

Maar het kwam dus goed. En wie anders dan mijn grote held Aleksandr Glazoenov brak de ban. Voor de minder ingewijden: Glazoenov ligt zo’n beetje boven op de mestvaalt van de muziekgeschiedenis. Misschien net niet op eenzame hoogte maar veel scheelt het niet. Zijn orkestmuziek is briljant en sprankelend, zijn symfonische gedichten en ouvertures zijn spannend en hebben een ongekende rijkdom aan orkestraties, kleuren en melodieën, en het is onbegrijpelijk dat zijn oratorium De Koning van de Joden en zijn cantates nog niet zijn ontdekt door het Radio Filharmonisch Orkest en het Groot Omroepkoor, om maar te zwijgen van zijn verrukkelijke pianoconcerten of de balletten Raymonda en Les Ruses d’amour, maar dat allemaal terzijde. Pas na jaren waagde ik me aan zijn strijkkwartetten, want ja, strijkwartetten.

Een openbaring! Wat een feest, zeven stuks en de ene is nog vrolijker en pakkender dan de andere, soms heerlijk melancholiek, en allemaal zo lekker Russisch. Met de strijkkwartetten van Glazoenov ging er een wereld voor me open, overigens met dank aan het Utrecht String Quartet, dat alle kwartetten meesterlijk opnam, een deel ervan uitvoerde in Utrecht en alleen daarvoor al een standbeeld verdient. Als ze nog te koop zijn: direct aanschaffen, krijg je nooit spijt van. Later volgden Sjostakovitsj, Weinberg, de overige Russen, Tsjechen en Fransen, kom maar door. Schoorvoetend volgden ook Beethoven, Schubert en Schumann. Mozart is nog altijd een brug te ver, misschien over twintig jaar.

In 2000 was het St. Petersburg Kwartet in de Kleine Zaal van het oude Muziekcentrum te horen met een programma met achtereenvolgens Tsjaikovski, Sjostakovitsj en Glazoenov. Na afloop sprak ik de programmeur, Jessica de Heer. ‘Goed geprogrammeerd, zo blijft het leukste en het mooiste voor het laatste bewaard’, plaagde ik een beetje. Het bleek de keuze van het kwartet zelf te zijn om met Glazoenov te eindigen, bij wijze van uitsmijter. Zelf zag ze Glazoenov meer als opwarmertje voor het betere werk. Overigens een geweldige programmeur, en mijn dag kon niet meer stuk.

Beeld: Glazoenov, olieverfportret door Ilya Repin

‘Alsof je vier intelligente mensen een gesprek met elkaar hoort voeren.’ Zo omschreef de dichter Goethe eens het strijkkwartet. Ook dat was jarenlang het probleem dat ik had met strijkkwartetten. Ik luister en kijk liever naar een tante en een oom die elkaar in de haren vliegen, of naar een liefde die op omvallen staat waarbij de ‘geliefden’ elkaar ongezouten de waarheid zeggen, serviesgoed dat door de lucht vliegt, ontsporende relaties, gebroken snaren, peilloos verdriet, berusting. Wat dat betreft kwam ik bij Sjostakovitsj en Weinberg ruim voldoende aan mijn trekken.

Ah, Mieczysław Weinberg! De bijna integrale uitvoering van al zijn zeventien (!) strijkkwartetten in april en november 2011 door het Quatuor Danel kan met gouden letters worden bijgeschreven in de geschiedenis van TivoliVredenburg/Muziekcentrum Vredenburg. Een huzarenstukje dat bijdroeg aan een grotere naamsbekendheid van deze destijds vrijwel onbekende componist, hulde aan programmeur Guy van Hulst. Later volgden ook integrale uitvoeringen van Sjostakovitsj en Beethoven. Een bijkans adembenemend component van die zinderende uitvoeringen was de rol van primarius Marc Danel. Met de expressie, mimiek en ook een beetje de kop en lichaamsbouw van Lambik kwam hij zo nu en dan bijna los van zijn pianokruk. Daarmee gaf hij een geheel eigen en vrij letterlijke invulling aan het cliché dat muziek je kan laten opstijgen tot ongekende hoogten. Ik kijk reikhalzend uit naar de integrale uitvoeringen van de strijkkwartetten van Glazoenov, Borodin, Tsjaikovski, Bartók en Dvořák.

Beeld: Quatuor Danel door Anna van Kooij