Eind jaren tachtig was ik student aan de School voor de Journalistiek in Utrecht. De studie betaalde ik met een baantje als verhuizer en als suppoost en barman in Muziekcentrum Vredenburg. Ik had mijn kaarten gezet op tijdschriftjournalistiek. De waan van de dag liet ik graag over aan anderen, ik richtte me liever op meer diepgravende onderwerpen. Ook toen al werd het ‘out of the box’ denken er bij lesgroepen ingepeperd, hoewel er toen waarschijnlijk eerder werd gesproken over het je begeven buiten de gebaande paden, buiten de lijntjes kleuren of domweg met iets nieuws en spraakmakends komen.

Door redacteur Reinen Dercksen

Met die insteek dacht ik een geweldig onderwerp bij hoorns te kunnen vatten. Een idee dat ik binnen het Muziekcentrum zou kunnen uitwerken en dat ook nog eens aansloot bij mijn eigen belevingswereld. Ik wist dat het onderwerp taboedoorbrekend zou zijn, voor ophef zou kunnen zorgen, gegarandeerd reuring zou opleveren. Maar dat het zó taboedoorbrekend zou zijn…

Dat wist ik nog niet toen ik een A-viertje printte met daarop een oproep, en die op de prikborden van de orkesten op het Stemplein achter het podium en bij de kleedkamers ophing: ‘Gezocht: musici die niet van Mozart houden. Denkt u ook weleens: Hè nee, niet weer Mozart, mag het eens iemand anders zijn? Zou u Mozart een jaartje willen overslaan of langer aan de wilgen willen hangen? Neem dan contact op Reinen Dercksen.’ Ik wachtte vol spanning op de dingen die zouden komen.

Ik kon me niet voorstellen dat er geen mensen waren die niet zo weglopen met Mozart. Daartoe rekende ik ook mezelf. Ik wist niet beter dan dat Mozart in theorie een van de grootste genieën van de Westerse muziek was, volgens sommigen nog genialer dan Johann Sebastian Bach. Dan moet je van verdraaid goede huize komen. Vrijwel iedereen was het erover eens dat Mozart door God gegeven gaven had, behalve dan ene W.F. Hermans, die in het boekenprogramma van Adriaan van Dis over de Weense componist had gezegd: ‘Z’n nachtmuziek was klein en z’n dagmuziek niet veel groter.’ Waarop Mozart-fanaat Maarten ’t Hart alle boeken van Hermans naar de vliering verbande. Delicate kwestie.

Foto W.F. Hermans door Roland Gerrits

Mijn aversie nam niet weg dat ik in de loop van de jaren al heel wat Mozart op de draaitafel had gelegd, op zoek naar tegenbewijs. Ik bezocht concerten en las zijn biografie. Mijn conclusie na verloop van tijd: ongetwijfeld hebben we te maken met een genie. Wie was ik om te zeggen dat dat niet zo was. Ik had slechts één probleempje: het was Wolfgang Amadé nog nooit gelukt om mijn aandacht veel langer dan tien seconden vast te houden. Al die voorspelbare loopjes, die tussenzinnetjes, die voorslagjes, die na-na-na-na-deuntjes, dat patchwork van stoplapjes, die brave slotcadensen. Vaak nam ik de proef op de som, dan luisterde ik naar een concert dat ik niet kende en probeerde de melodie ‘vooruit te denken’. Waar het precies aan lag weet ik ook niet, maar meestal verzon ik dan de juiste melodie, dat kun je wel vergeten bij Mahler, Stravinsky of Sjostakovitsj, voor mij toch een lakmoesproef voor het aantonen van genialiteit.

Van de weeromstuit begon ik aan mezelf te twijfelen. Wat hoorde ik niet wat anderen wel hoorden? Wat was het dat anderen in verrukking bracht maar mij koud liet, of hooguit lauw? Ik vond zijn muziek reuze geschikt voor liften en supermarkten, wachtkamers van crematoria, maar om daar nou twee keer drie kwartier naar te gaan luisteren? Avontuurlijke muziek? Vast wel, maar in mijn verbeelding dan vooral voor mensen die het avontuur in hun achtertuin zoeken, die België al een exotisch land vinden en niet van verrassingen houden, zeg maar types als Maarten ’t Hart. Ik moest ook denken aan de vergelijking die Igor Stravinsky met Vivaldi maakte: ‘Vivaldi schreef geen vierhonderd concerten maar één concert vierhonderd keer.’ En als mensen in extase raakten van de onnavolgbare ontwikkelingen die Mozart in de loop van de jaren of soms maanden of weken had doorgemaakt, zweeg ik altijd licht beschaamd: het was me nooit goed gelukt latere werken van jongere te onderscheiden, ik hoorde vooral Mozart, een componist die wil behagen.

Een paar dagen later waren de oproepen van de prikborden verdwenen. Ik moest bij mijn leidinggevende komen die me vertelde dat ik op gesprek moest bij Paul Tukker. Niet de directeur of het Hoofd Marketing maar het hoofd Podiumtechniek. Dat was reden tot zorg want Paul Tukker werd wel de Raspoetin van Muziekcentrum Vredenburg genoemd, en niet alleen vanwege zijn lange, puntvormige baard die reikte tot aan zijn navel. Hij had macht, was onvoorspelbaar in zijn gedrag en kon je maken of breken. Hij was ook Hoofd Prikborden, vandaar dat ik me bij hem moest melden.

Het Hoofd Stemplein was ontstemd. We waren een eerbiedwaardige concertzaal met warme banden met orkesten en musici. Dan geeft het geen pas om in te spelen op eventuele antipathieën jegens een van de pijlers onder onze programmering. De oproep was confronterend, impertinent en lag niet in de lijn met wat Muziekcentrum Vredenburg wilde uitstralen. Hij had ze weggehaald en ik kreeg een waarschuwing. Als ik een oproep wilde ophangen, dan moest ik eerst met hem overleggen. De oproep aan Mozart-ontkenners lag bij het oud papier en bleef daar ook.

Toch bleek de oproep her en der enkele gevoelige snaren te hebben geraakt, misschien wel open zenuwen. Mensen vertelden met een grijns dat Reinbert de Leeuw in geen duizend jaar Mozart zou dirigeren, die moest ik maar eens bevragen, succes verzekerd. Dat vond ik te gemakkelijk, iedereen wist dat Reinbert de Leeuw weinig op had met muziek van voor de twintigste eeuw. Het gerucht ging dat Lev Markiz, dirigent en oprichter van Nieuw Sinfonietta Amsterdam, weleens had verzucht dat het beter zou zijn om Mozart een paar jaar in de kast op te bergen ten faveure van minder bekende Russen. Dat was interessant, daar zou ik graag over willen praten. Eén persoon had zowaar rechtstreeks gereageerd, een alt uit het Groot Omroepkoor die Mozarts missen wel geloofde. Ze stelde wel een voorwaarde: ze wilde er alleen anoniem over vertellen want toegeven dat je Mozart niet tot je favorieten rekent kwam neer op spelen met vuur. Over elke andere componist kon je in alle openheid een fijne boom opzetten, inclusief Bach, maar twijfelen aan Mozart grensde aan heiligschennis, vloeken in de kerk, blasfemie. Het kon je misschien wel je baan kosten, daar had ze geen zin in. Ze kende ook nog wel een paar collega’s die zich eveneens een leven zonder Mozart konden voorstellen maar die durfden daar niet voor uit te komen, zelfs niet anoniem. Met die oogst kon ik niet zo veel, ook al omdat ik via via vernam dat ook Lev Markiz niet stond te springen om zijn mening toe te lichten.

Foto: Lev Markiz

Het artikel heeft het levenslicht nooit gezien, sommige onderwerpen zijn kennelijk te gewaagd, te grensoverschrijdend. En dat is maar beter ook, zullen velen mogelijk denken of zeggen. Maar ach, ik neem het op mijn beurt weer op voor componisten die door anderen die er echt verstand van hebben zijn afgeserveerd: Charles Tournemire, Aleksandr Glazoenov, Josef Suk, Xaver Scharwenka, Nikolaj Mjaskovski, Déodat de Sévérac, Howard Hanson, Georgi Sviridov, om er maar enkelen te noemen.

We zijn jaren verder. Denk ik intussen anders over Mozart? Mozart was een genie, geen misverstand. Weliswaar een enigszins overschat genie, maar toch een genie. Maar je kunt altijd van mening veranderen, zeker als blijkt dat er toch een werk is dat me tot in het diepst van mijn ziel raakt: zijn Requiem, hoe kan het ook anders. Helaas was het zijn laatste werk en helaas bleef het onvoltooid. Ik zeg dus met velen dat Wolfgang Amadé Mozart nog veel langer had mogen en moeten leven. Zijn Requiem zou vast het eerste werk zijn geweest waarmee hij een zegetocht zou zijn begonnen onder al die mensen zoals ik, die op de een of andere manier nog niet helemaal tot Mozart zijn bekeerd.