Lang leve TivoliVredenburg!

Zaterdag 21 juni 2014 was een even gedenkwaardige als feestelijke dag in de geschiedenis van TivoliVredenburg, we gingen open voor publiek. Het was geen officiële opening, meer een onderonsje tussen publiek en organisatie, een weerzien na lange tijd. De koning kon niet op de langste dag, dus we deden het twee weken later nog eens dunnetjes over, nu in aanwezigheid van de majesteit, die met een gongslag het startsein gaf voor een soort eeuwigdurende muziekmarathon, die pas zeven jaar later zou worden onderbroken door een venijnig virus.

Door redacteur Reinen Dercksen

In de maanden voorafgaande aan de opening had het publiek al kunnen kennismaken met het gebouw. Omdat ik zo’n beetje de informele schatbewaarder was van het archief van Muziekcentrum Vredenburg, en de bouw vanaf de zijlijn had gevolgd, was me gevraagd een verhaal te maken voor de rondleidingen door het gebouw.

Of nou ja, gebouw. Op alle architectenbureaus, op het stadhuis en op onze eigen afdeling marketing hadden ze zich lekker uitgeleefd wat betreft de uitstraling, de mission statement en het karakter van het gebouw, alles verpakt in beeldend en bloemrijk taalgebruik.

Als een reisleider dirigeerde ik het publiek door een stad in de stad, een verticale stad, een verzameling van muziekbiotopen, dan wel een familie van zalen verenigd in een muzikale villa Kakelbont. Daar kon ik wel wat mee. Ik verzon er Alpenlandschappen bij, alpenweiden, doorkijkjes, steegjes, Italiaanse dorpspleinen en vergezichten.

De architecten zelf zorgden voor de fijnste anekdotes. Neem het grote plein, tussen Hertz, Pandora en onder Cloud Nine. Volgens Patrick Franssen, supervisor over het hele project, hebben we onze piazza della musica te danken aan een terloopse opmerking van Walther Lenting, in de aanloop naar het nieuwe gebouw wethouder Stationsgebied.

Toen die de voorlopige plannen zag, zou hij hebben gezegd: ‘Doe mij dan maar een groot plein halverwege het gebouw, een soort ontmoetingsplek tussen alle zalen.’ ‘Dat plan hebben we verder uitgewerkt’, aldus Patrick Franssen, mede dankzij alle ‘loze’ ruimte in de stolp of kubus die overbleef nadat alle zalen erin waren getekend. ‘Die ruimte was een van de grootste cadeautjes die het gebouw voor ons in petto had.’ Lege ruimte is in tijden van efficiency uit den boze, maar de architecten kregen het min of meer in de schoot geworpen. Ze hoefden het alleen nog uit te pakken en voilà: een van de mooiste ontmoetingsruimtes van Utrecht.

Of neem het verhaal rond Pandora, de paarse zaal die het meest voor onze dance- en nachtprogrammering wordt gebruikt. Het ontwerp was van Kamiel Klaasse, Pieter Bannenberg en Pieter van den Berg van NL Architects. Die hadden de Rietveldprijs gewonnen voor hun Basketbar in De Uithof. Toen Kamiel Klaasse daarover werd geïnterviewd, merkte hij in 2004 op dat hij Muziekcentrum Vredenburg maar een grijs, flets ‘anti-glamourgebouw’ vond. Volgens hem moest het nieuwe TivoliVredenburg ‘groots en meeslepend’ worden, een gebouw waar sferen mochten botsen.

Zoiets moet je net zeggen tegen Herman Hertzberger, de architect van het oude Muziekcentrum, die had gewaarschuwd voor een ‘ratjetoe’ van bouwstijlen en zalen. Maar de loop van de geschiedenis nam een verrassende wending. In plaats van dat Herman Hertzberger boven op de kast ging zitten nam hij de handschoen op en gaf Klaasse de opdracht een zaal te maken die in dat beeld paste. Hij beschouwde NL Architects sowieso al als de ‘jonge honden’ van de Nederlandse architectuur en wilde ze graag een podium geven, letterlijk. Tijdens een onvergetelijke architecten-estafette in het openingsweekend dikte hij het verhaal nog een beetje aan. ‘We wilden voorkomen dat het nieuwe gebouw door oude grijsaards zoals ik zou worden ontworpen, als afspiegeling van de toekomstige gebruikers. Dus haalden we er een paar jonkies bij, het gebouw moest wel een beetje toekomstbestendig worden.’

Rondom die presentatie deed Thijs Asselbergs ook een kleine bekentenis. Hij was de ontwerper van Cloud Nine, onze eigen Zevende Hemel voor jazzliefhebbers, helemaal boven in het gebouw. De foyer van die zaal is verfraaid met een reeks reusachtige patrijspoorten, die evenwel een klein nadeel lijken te hebben: ze zitten net te hoog of net te laag. Op ooghoogte kijk je tegen een wand aan. Zou het niet aardiger zijn geweest als je over de hele lengte een glazen wand of pui zou hebben, waardoor je een magnifiek uitzicht over de binnenstad tot aan de Utrechtse Heuvelrug zou hebben.

Zo’n panoramisch uitzicht had Thijs Asselbergs wel degelijk in zijn eerste plannen voor ogen gehad. Maar ja, er zat wel een draagconstructie ter hoogte van die patrijsporten. Een technische oplossing zou eventueel wel kunnen, maar dan zou het gebouw volgens Asselbergs minimaal tien miljoen duurder zijn uitgevallen. Dat was geen optie, dat lag nogal gevoelig. En er kwam nog iets bij. ‘Die structuur van pillenstrips aan de buitenkant, die was heilig, daar mocht ik niet aankomen.’ Maar elk nadeel hep z’n voordeel: er werden tafeltjes en stoelen bij de patrijspoorten gezet waardoor je nu vanuit een luie stoel evengoed tot aan de bossen richting Zeist kunt kijken.

Voor TivoliVredenburg gold en geldt wat voor elk nieuw gebouw geldt: het gebouw mag dan zijn opgeleverd, dat wil nog niet zeggen dat het af is. Daarover waren alle architecten het eens: zij hadden de ‘voorwaarden’ geleverd voor een bruisend gebouw, maar in de praktijk zou er nog veel aan moeten gebeuren wilde het echt tot leven komen.

Uitgerekend Herman Hertzberger had een bonte aanzet gegeven voor meer kleur in het gebouw. Hij had kleurontwerpen gemaakt voor de kolommen in de foyer van de Grote Zaal: een opvallende combinatie van pastelkleurige banen in de kleuren oranje, roze, olijfgroen, zachtblauw en zalmkleurig.

Voor Herman Hertzberger, zo’n beetje synoniem met de kleur Hertzberger-grijs, weinig minder dan een revolutionaire omslag. Bij wijze van proef waren de eerste kolommen in die kleurstelling geschilderd. Mijn idee: alles beter dan grijs, dus ik vond het prachtig.

De expert die we hadden aangetrokken voor de verdere inrichting en afwerking van het gebouw vond het tien keer niks. Hij liet de kolommen rücksichtslos en zonder overleg overschilderen in goudkleur, waardoor sommige bezoekers dachten dat ze in een nachtclub terecht waren gekomen. Lekkere combinatie met de Matthäus-Passion.

Het nadeel van interieur-deskundigen is dat ze altijd vinden dat er een soort eenheid van aankleding en vormgeving moet zijn en dat er niets mag gebeuren zonder hun toestemming. Aangezien deze column mij een kleine vrijplaats biedt voor wat eigen ideeën, pleit ik bij dezen voor de plaatsing van een sculptuur of kunstwerk van Jaume Plensa: een zittende figuur die is opgetrokken uit notenbalken met muziek. Ik raak er niet op uitgekeken en zou het schitterend vinden als die figuur me op Plein Vijf of Zes zou begroeten. Helaas, ik ben geen deskundige, enkel muziekliefhebber.

Een van de aardigste momenten tijdens de vele rondleidingen was toen een clubje schoolkinderen de Grote Zaal betrad. Die zaal was altijd de laatste zaal in een rondleiding, bij wijze van uitsmijter en als metafoor voor de tweede jeugd van deze zaal: back to the future. Of als een soort Moeder aller zalen die was verrijkt met vier nieuwe gezinsleden of nakomelingen.

De kinderen waren te jong om te weten dat de Grote Zaal bij de opening van TivoliVredenburg al 35 jaar bestond en op het punt stond aan een tweede leven te beginnen. Het onvergetelijke commentaar van een groepje scholieren bij de eerste kennismaking met onze oudste zaal: ‘Wauw! Die is goed gelukt!’ Daar had ik even helemaal niets aan toe te voegen.