Lang leve het Muziekpaleis!

Bij de nieuwjaarsreceptie in 1998 was onze directeur Peter Smids in opperbeste stemming. We toostten in de sfeervolle entourage van de Janskerk en op alle tafeltjes lag naast een bakje met borrelnootjes en een kaasplankje een setje papieren met daarin de plannen voor een nieuwe kamermuziekzaal, inclusief een eerste artist impression. Peter kon niet wachten om daarover te vertellen, hij was er vol van.

Door redacteur Reinen Dercksen

Een gerenommeerd onderzoeksbureau had globale plannen uitgewerkt voor een nieuwe zaal die het artistieke hiaat zou moeten opvullen tussen de Grote Zaal en de Kleine Zaal. Met een kamermuziekzaal voor pakweg zevenhonderd bezoekers en wat architectonische ingrepen in de rest van het gebouw zouden we er weer jaren tegen moeten kunnen. Binnen een jaar zou de renovatie kunnen beginnen en rond de eeuwwisseling zou Utrecht zijn verrijkt met een state of the art muziek- annex congrescentrum, dat een einde zou maken aan alle tekortkomingen die steeds meer in het oog begonnen te lopen.

Dat waren er nogal wat: drugsverslaafden in de gangen rondom de Grote Zaal, een ‘achterhaalde uitstraling’ van het bestaande gebouw (nog maar 19 jaar jong!), het ontbreken van een monumentale ingang en nog een hele trits technische tekortkomingen. In advertenties pronkte Muziekcentrum Vredenburg met zijn imago als de best bereikbare concertzaal van Nederland. Maar op kantoor werd er gesproken over de best ‘bezeikbare’ concertzaal van Nederland. Niet zonder reden, er werden wekelijks kapitalen gespendeerd om de pislucht rond het gebouw, met al zijn portiekjes, nisjes en half doodlopende gangen, te verdrijven.

Als ik zondagochtend mijn receptiedienst draaide, liet ik altijd de schoonmaak een extra rondje maken rond het gebouw. Onze zondagse hoogmissen waren de koffie- en kinderconcerten, geen beste combinatie met junks die hun roes lagen uit te slapen in een omgeving die sporen droeg van een openbaar toilet.

Intussen kwam er helemaal niets terecht van het bouwplan ‘Vredenburg in een nieuwe jas’. Het plan werd door de werkelijkheid ingehaald. Het Utrecht City Project verpulverde alle plannen die waren voorzien in een straal van een kilometer rond het Centraal Station.

Het moest allemaal grootser, ambitieuzer, hemelbestormender en op een raadselachtige manier op papier ook groener.

Daar kwam bij dat een andere concertzaal, Tivoli, ook niet meer helemaal lekker in zijn knellende jasje zat. De popzaal moest het doen met een rioleringsstelsel uit 1491 en was niet gebouwd voor popconcerten. De Oude Gracht was verboden gebied voor volgeladen vrachtwagens met geluidsapparatuur. Geschikte laad- en losmogelijkheden waren nergens te bekennen. Dertigtonners moesten op het Jaarbeursterrein hun vracht overladen in bestelwagens die wél over het wegdek boven fragiele werfkelders mochten rijden. Dat zette op den duur geen zoden meer aan de dijk en Tivoli en Muziekcentrum Vredenburg zochten als vanzelf toenadering.

Het was het begin van een baltsperiode die vooral op bestuurlijk niveau wel wat weg had van het liefdesspel tussen kemphanen. Intussen was ook de Stichting Jazz Utrecht aangehaakt, die in een brandgevaarlijke kelder annex rookhol aan de Varkenmarkt bivakkeerde, niet echt de plek om nieuwe doelgroepen aan je te binden, ook daar zat niet zoveel muziek meer in.

Het voert te ver om uit de doeken te doen wat dat betekende in termen van animositeit, verschillen van inzicht en eigen accenten. Laat ik zeggen dat het spreekwoord ‘de derde man brengt de spraak an’ van toepassing was, en dan druk ik me eufemistisch uit.

De grap was: achter de bar, op de redactie of achter de knoppen voor licht of geluid merkte je daar weinig van. Je ving hooguit wat geruchten op. Bestuurders zouden elkaar de tent uitvechten, directeuren vochten tegen burn-outs en lieten zich weleens ontvallen dat ze van al het geharrewar een ‘kunstkop’ kregen. Er werd aan wethouders getrokken en er werden dreigementen geuit om het bijltje erbij neer te gooien. Maar wat er zich precies boven op de apenrots afspeelde, nee, daarover tastte je in het duister.

Toen we jaren later als gewone medewerkers kennismaakten met elkaar, was de sfeer relaxed en vriendschappelijk, en dat is altijd zo gebleven. Wat nou loopgravenoorlog?

Zo merkten we ook niet dat het een haartje had gescheeld of de Grote Zaal was alsnog platgegooid. De knipselmap met oude uitspraken van Peter Smids was kennelijk weer ergens opgedoken, want de ene na de andere partij bepleitte enthousiast de sloop van de Grote Zaal.

In een Klankbordgroep Muziekpaleis (what’s in a name?) werd onomwonden gesproken over het ‘oplossen van de ellende’, de ‘beperkte’ en ‘lelijke’ architectuur van de Grote Zaal en de noodzaak van complete nieuwbouw. Stelletje cultuurbarbaren. Twintig jaar eerder zouden dezelfde mensen ongetwijfeld hebben gepleit voor een vierbaansweg door wijk C, die is er godzijdank ook niet gekomen.

Er was zelfs een tijdje sprake van dat het hele zaakje naar het Smakkelaarsveld zou opschuiven, zo’n beetje tegen het spoor aan. Er gingen stemmen op om er dan maar gelijk een soort bedrijfsgebouw van te maken, met een nieuwe bibliotheek en een archiefgebouw, dat alles tot afgrijzen van Tivoli en Muziekcentrum Vredenburg, die op dat punt gezamenlijk optrokken. Ze riepen het beeld op van een zielloos Muziekpaleis waarvan de banden met de binnenstad werden doorgesneden en dat ‘afdreef’ naar de naargeestige periferie in de buurt van een spoorwegemplacement.

Zover is het nooit gekomen. Achter de schermen werd er gekwartet met data waarop de nieuwbouw zou kunnen of moeten beginnen (2001, 2003, 2006, 2010) en werden er lijntjes uitgezet naar potentiële architecten.

Zoals dat gaat werd er jaren gesteggeld over de naam van het nieuwe gebouw, typisch een gevalletje van chefsache. Tivoli en Muziekcentrum Vredenburg waren allebei sterke merknamen. Als gulden middenweg werd in alle voorlopige plannen gesproken over het Muziekpaleis maar het was ondenkbaar dat we daarmee de wereld zouden gaan veroveren.

Het riep beelden op van Van der Valk-achtige theaters en Schoenenreuzen met afbraakprijzen. Als voetvolk kregen we het idee dat er oneindig lang werd vergaderd over een nieuwe naam en dat het alle andere discussies naar de achtergrond drong. Het werd uiteindelijk TivoliVredenburg, een naam die kool en geit spaarde.

Aan het einde van de eerste decade van deze eeuw kwam er zowaar vaart in het project. De Grote Zaal bleef definitief behouden, een kwartet architectenbureaus werd ingeschakeld om een bonte muziektempel te gaan bouwen. Begin januari 2010 ging de eerste paal de grond in. We konden eindelijk met de nieuwbouw beginnen.

Wordt vervolgd