Koppen tellen

In december 1986 werd Muziekcentrum Vredenburg opgeschrikt door een uit de hand gelopen vandalenstreek. Giuseppe Verdi (hier op de foto) was gestolen, weg, foetsie. Niet de componist maar zijn bronzen buste van de hand van Pieter de Monchy. De diefstal was een schok voor iedereen, welke idioot had het in zijn kop gehaald om een componist te gijzelen? De componistenkoppen zijn de trots van onze foyers, goudstof in een ietwat grijze omgeving, stille vrienden. In de maanden na de diefstal dook Verdi niet meer op en van de ontvoerder ontbrak elk spoor. Er zat niets anders op dan Pieter de Monchy te vragen om een replica te maken. Gelukkig was dat mogelijk, waarna de Verdi-kloon weer kon worden herenigd met zijn bronzen familieleden.

Tekst: Reinen Dercksen

Ik sla bijna 25 jaar over. Opnieuw wordt Vredenburg opgeschrikt door een merkwaardig voorval. Een bezoeker meldde zich bij de receptie met een zware plastic zak. Uit die zak… kwam diezelfde Verdi tevoorschijn. Er zat een ontluisterend verhaal achter. Bij een concert van de band Killing Joke had de dader in een dronken bui een weddenschap met zijn vrienden gesloten. Ze zouden hem 25 gulden geven als hij het ruim twaalf kilo wegende hoofd van Verdi van zijn romp of sokkel wist te scheiden en voorbij de beveiliging te krijgen. Dat lukte warempel, we hebben het over de onschuldige jaren tachtig. Maar ja, wat doe je met een kop van wie je niet eens weet aan wie hij toebehoort? Je zet hem ergens in de hoek van een kamer en vergeet hem, hij zegt toch niks terug. Na diverse verhuizingen begon het beeld in de weg te staan en wilde de dief ervanaf. Zo gezegd, zo gedaan. Hij heeft nooit geweten van welke componist de beeltenis was. Spijt? Neuh, het was een geintje, meer niet.

Ik loop graag door de foyers, mede vanwege al die fantastische koppen, mijn zwijgende vrienden en een enkele vriendin. Natuurlijk heb je je voorkeuren. Geniaal, die barsten in de kop van Dmitri Sjostakovitsj. Je zou kunnen zeggen dat het beeld van een beschadigde of gespleten persoonlijkheid er dik bovenop ligt. Kan zijn, maar het is Sjostakovitsj ten voeten uit, inclusief die Sovjet-bril. Bij Brahms hóór je zijn rondborstige muziek en je kunt Gioachino Rossini niet passeren zonder dat hij je een glimlach schenkt. Dat kun je bepaald niet zeggen van Gustav Mahler en Hector Berlioz. Alsof ze al het wereldleed op hun schouders meetorsen, geboetseerd in hun laatste levensfase, creperend op hun sterfbed. Ik noem ze altijd liefkozend onze zonnetjes in huis, ze zijn me lief, evenals hun muziek.

Billie Holiday hangt er niet meer in haar originele vorm bij, en niet zonder reden. Nadat we in 2014 weer opengingen werden alle koppen geteld en geïnventariseerd, verzekeringsdingetje. Aangekomen bij Billie Holiday kreeg de verzekeraar een zenuwtrekje. Klopte het nou echt dat daar zomaar een authentiek Marlene Dumas aan een simpel haakje hing? Ja, en? Nou, met een verzekerde waarde die iets verder ging dan een doorsneeplastiekje zou het toch wel beter zijn om Holiday verankerd aan de muur te hangen, en ook graag achter gepantserd veiligheidsglas. Verdi kon je misschien vervangen maar de Amerikaanse jazzartiest niet.

In 1990 werd onze collectie uitgebreid met Mozart, die hadden we nog niet. Toen ik er voor het eerst voor stond kwam Peter Smids voorbij, onze toenmalige directeur, man van uitgesproken meningen. ‘Reinen, wat vind je ervan?’ Als Peter schokschouderde en aan zijn neus wreef, dan wist je dat hij popelde om zijn eigen mening te geven. Ik hield me dus enigszins op de vlakte. Ik heb sowieso niet zoveel met Mozart (spekglad ijs, kom ik misschien ooit op terug), dus het kon me ook niet zo heel veel schelen hoe iemand met Mozart aan de haal was gegaan. Daar dacht Peter Smids anders over. ‘Dat lijkt toch niet. Zo’n vlakke, gezandstraalde kop, dat straalt toch niets uit? Zullen we hem ergens achteraf ophangen? Hij valt hier uit de toon tussen al die geniale koppen.’ Voor de goede orde: Mozart hangt nog in de buurt van zijn originele plek en Peter is en blijft een fijne gesprekspartner.

Mijn persoonlijke favoriet? Claudio Monteverdi. Het postuur, de kleur, de rustige, ingetogen en mysterieuze, bijna serene blik, het klopt allemaal. Het beeld toont statuur en toch valt er nog genoeg te raden, precies wat je verwacht van een geslaagde impressie. Als ik ooit een kop zou willen jatten, dan zou ik voor Monteverdi gaan.

Intussen bleef het noodlot Verdi achtervolgen. Ook zijn replica verdween spoorloos, waarna de kunstenaar een derde akte aan de Verdi-soap kon toevoegen. De eerste replica is nog altijd niet terecht. Dus als u ergens een bronzen kop ziet staan en de ‘eigenaar’ weet niet wie het is, kijk dan nog eens goed, misschien staat u oog in oog met een ontvoerde en verweesde componist. Meld het ons onverwijld. Het coldcase-team van TivoliVredenburg zal u muzikaal rijkelijk belonen.