Handtekeningen jagen

Noem het een guilty pleasure, groupie-gedrag of misschien een tikje gênant, maar ik kan het niet laten: handtekeningen jagen van componisten, dirigenten en artiesten die voor mij op een voetstuk staan. Het begon allemaal op 25 november 1986, toen Olivier Messiaen Utrecht aandeed, lang voordat bij mij de vlag uitging omdat ik als suppoost en barman werd aangenomen bij Muziekcentrum Vredenburg.

Tekst: Reinen Dercksen

De Franse componist was naar Utrecht afgereisd voor zijn Turangalîla-symfonie, uitgevoerd door studenten van het Koninklijk Conservatorium in Den Haag en gedirigeerd door Reinbert de Leeuw, de hogepriester van Messiaens muziek, met uitzondering van zijn orgelmuziek. Onvergetelijk hoe de bijna 80-jarige componist de Grote Zaal binnenschreed in een rokkostuum waarvan de broek tot vlak onder zijn oksels reikte. Met een vuistdikke partituur in een boodschappentas schuifelde hij door een uitverkochte en ademloos toekijkende concertzaal, op weg naar zijn stoel halverwege rij A 5, de plek die we ook altijd vrijhielden als we leden van het Koninklijk Huis mochten ontvangen. Al die tijd stond Reinbert de Leeuw op het podium, eerbiedig achterom kijkend en wachtend op het teken van de maestro dat hij zijn baton kon heffen. Messiaens vrouw Yvonne Loriod zat in een wapperend knalrood gewaad achter de piano en schoonzus Jeanne Loriod in een zacht-oranje creatie achter de ondes martenot, rond 1930 een soort State of the art synthesizer.

Onvergetelijk allemaal, maar na het slotakkoord (tien minuten daverend applaus) was het voor mij nog niet afgelopen. Gewapend met de plaat La Nativité du Seigneur voor orgel glipte ik backstage naar de dirigentenkamer. Felicitaties, dankbaarheid, een beetje stamelen in mijn beste Frans en dan subtiel die plaat op tafel leggen met het vriendelijke verzoek of de grote meester zijn handtekening wilde zetten. Dat wilde hij. ‘Een geweldige opname, en dat nog wel door een organist die een vingerkootje mist, een ware tovenaar achter de klavieren.’ De rest hoorde ik niet meer, de buit was binnen. Sindsdien staat hij als een trofee in mijn platenkast.

Later lukte het nog een keer, op 29 juni 1991, in de artiestenfoyer van het Amsterdamse Concertgebouw. Na afloop van een concert door het Radio Symfonie Orkest en het Groot Omroepkoor zette niet alleen de componist zijn handtekening (prachtig schoonschrift!) in een box met platen met zijn muziek, maar ook zijn vrouw Yvonne Loriod, die geen moment van zijn zijde week, en ach, een handtekening is snel gezet.

Later volgden meer handtekeningen, waarbij mijn speciale aandacht uitging naar Russen, zoals Gennadi Rozjdestvenski, een energiek mannetje, die eruitzag alsof hij een bijbaantje had als clown in het Russisch Staatscircus, schmink overbodig. Of de aimabele Vladimir Fedosejev, die een paar jaar geleden met zijn eigen orkest langskwam. Maar mijn grootste bewondering ging uit naar de voor mij ongekroonde koning van het Russische dirigentengilde: Jevgeni Svetlanov. Als jonge journalist zwierf ik ooit maandenlang door Rusland en Siberië en kocht zo’n beetje elke cd (dollar per stuk) met Russische muziek die op mijn pad kwam. Wat al snel opviel, was dat er één dirigent was die met het Staats Symfonieorkest van de Sovjet-Unie zo’n beetje elke noot die was gecomponeerd tussen Glinka en Sjostakovitsj voor het staatslabel Melodia had opgenomen, inclusief componisten die hier te lande al lang zijn afgeserveerd als tweede- derde- en vierderangs garnituur.

Ik lustte er wel pap van, van dat Russische donkerbruine eikenhout à la Tsjaikovski of Rachmaninov. Maar ja, je kunt het natuurlijk niet maken om na afloop van een concert vijftig cd’s voor te leggen aan een uitgetelde dirigent die op zo’n moment waarschijnlijk meer behoefte heeft aan een zuurstofapparaat dan aan een handtekeningenjager. Kwestie van doseren. Gelukkig kwam hij vaker naar Utrecht, elke keer een buitenkansje. Jevgeni Svetlanov voert mijn top-10 aan van Russische dirigenten die Utrecht vereerden met hun bezoek, nog net een treetje hoger dan Valeri Gergjev, misschien wel juist omdat Svetlanov zich sterk maakte voor officieel mindere goden als Nikolaj Mjaskovski, Vasili Kalinnikov of Sergej Ljapoenov. Of mijn held Alexander Glazoenov, de meest ondergewaardeerde Russische componist, maar dat is een ander verhaal. ‘Oh, heb ik dat ook gedirigeerd, en dat is lang geleden zeg’, was soms zijn commentaar na de zoveelste vergeten componist of opname. Misschien dacht hij wel: welke idioot heeft al die cd’s en wat is de lol van al die handtekeningen? Maar zoals gezegd: het is sterker dan mezelf, ik ben nog niet helemaal afgekickt.

Jevgeni Svetlanov dirigeert intussen ergens een vergeten engelenkoor maar er is een nieuwe Russische held opgestaan. Eentje die toevallig ook heel veel heeft opgenomen en aan wie ik elk jaar een vers setje kan voorleggen, want hij dirigeert er lustig op los: Vasili Petrenko, altijd puntje van je stoel, voelbare elektriciteit op het podium en in de zaal, en na afloop roffelende en diep gelukkige orkestleden. Toch een leuke gedachte: als hij over en jaar of wat chef-dirigent is van het Koninklijk Concertgebouworkest, en onbereikbaar, dan heb ik een stapel cd’s met zijn handtekening erop, vast en zeker collector’s items.