Een van mijn favoriete gespreksonderwerpen na afloop van een concert is de dirigent, en dan vooral het oordeel over de maestro van de orkestleden. Twee keer drie kwartier heeft de muzikale leidsman (meestal een hij, soms een zij) staan zwaaien, maaien, kneden en gebaren, en alles gegeven om van soms honderden pagina’s nootjes muziek te maken. Of nou ja, de muziek komt natuurlijk van de musici, de dirigent is meer een intermediair tussen inkt en geluid, of een doorgeefluik van de ideeën van een componist, zoals het cliché luidt.

Het is daarom zo leuk om musici uit te horen omdat je in de zaal soms een compleet andere indruk hebt van een dirigent dan wanneer je als musicus tussen je collega’s op het podium zit. Als je denkt: zo, die heeft de wind er goed onder, die laat niet met zich sollen en geeft perfect aan wat ’ie wil, dan hebben violisten of houtblazers soms een totaal andere ervaring: een dwingeland die een gebrek aan verbeeldingskracht en natuurlijk gezag verbloemt met overmatig gezwaai en gedraai. Alsof ze een stelletje amateurmusici zijn die onophoudelijk bij het handje moeten worden genomen om iets moois tot stand te brengen. Uitslovers, luidt dan het finale oordeel over dergelijke springers-in-het-veld.

Een houtblazer vertelde me ooit dat ze zo werd afgeleid door de strapatsen van een dirigent dat ze een hele symfonie had geprobeerd alle kanten op te kijken behalve in de richting van de bok, het leidde alleen maar af van de muziek en was funest voor haar concentratie en speelplezier. Niet alles is wat het lijkt, en soms lijken de rollen in werkelijkheid omgedraaid. De dodelijkste opmerking die ik ooit hoorde over een enthousiast zwiepende dirigent: ‘Nou, hij zwaaide aardig met ons mee.’

Het omgekeerde komt ook voor: een dirigent die het niet slecht zou doen als levend standbeeld in de Kalverstraat, maar wordt bewierookt door orkestleden. Frans Brüggen, die aan het eind van zijn leven steeds strammer werd, leek te kunnen dirigeren met zijn pinken en wenkbrauwen. Het Orkest van de Achttiende Eeuw droeg hem op handen.

De legendarische Russische dirigent Jevgeni Svetlanov sprak amper drie woorden Engels, wat best lastig is tijdens repetities. Tijdens de concerten kon hij soms matenlang de pose aannemen van een goeiige priester die met wijd gespreide armen een eindeloze zegen over het orkest leek uit te spreken. Met minimale middelen kon hij orkesten tot buitenaardse prestaties leiden, en toegegeven, zo afgetraind zag hij er ook niet uit. Hij had ook helemaal geen dirigeerstokje nodig. Hij kon alles met zijn handen en ogen, die stonden op steeltjes, zagen alles en leidden de orkestleden en het publiek trefzeker naar hogere regionen.

Valeri Gergjev is een geval apart, over hem doen talloze anekdotes de ronde. Hij geldt volkomen terecht als een van de grootste dirigenten van deze tijd, maar is ook berucht vanwege zijn overvolle agenda, zijn gevlieg van hot naar her en gebrek aan repetitietijd. Orkestleden zaten vaak in spanning: hoeveel tijd zou er tussen al zijn vliegbewegingen in Europa en daarbuiten overblijven voor het doornemen van een loodzware Sjostakovitsj of Tsjaikovski? Een insider vertelde me dat als je goed kijkt, Gergjev drie verschillende manieren van dirigeren heeft. Als hij voorovergebogen staat en voortdurend in de partituur kijkt, dan ziet hij de partituur waarschijnlijk voor de eerste keer, of voor het eerst na lange tijd. Als hij zijn aandacht gelijkelijk tussen partituur en orkest verdeelt, dan heeft hij de muziek aardig in de vingers en hebben orkest en dirigent minimaal één succesvolle repetitie achter de rug. En als hij gedurende het hele concert direct contact heeft met iedereen op het podium, dan kent hij de partituur uit zijn hoofd en kunnen beide partijen terugzien op minimaal twee uitgebreide repetities.

Verandert er in de loop van de jaren iets in het oordeel over dirigenten? Nou en of, ook bij de luisteraar, ook bij mij. Neem de geweldenaar Herbert von Karajan (veel te duur voor Utrecht), ooit de meest bewierookte dirigent, voorbeeld en ijkpunt voor iedereen die ambities had als sterdirigent dan wel Principal Director. Hij geeft je het beeld van iemand die in volle wapenrusting als een generaal zijn troepen aanvoert, Donar die met donder en bliksem aardse stervelingen zijn wil oplegt, of juist iemand die zwelgend in de muziek opgaat en dat dwingend overbrengt op het voetvolk op het podium. Eerlijke mening? Zijn opnames van Beethoven vermoeien me en boezemen me angst in, alsof er veldslagen moesten worden uitgevochten. Luister naar opnames van Beethoven of Tsjaikovski en woorden als ‘Pruisisch’, ‘Teutoons’ en ‘drillmuziek’ komen in je op. Alsof hij een muur optrekt tussen mij als luisteraar en de componist. Onder zijn handen kruip je voor Beethoven. Dus hoe blij was ik met de komst naar Utrecht van dirigenten als John Eliot Gardiner, Jos van Immerseel, Frans Brüggen of Philippe Herreweghe, niet toevallig ook veel meer benaderbare dirigenten. Zij hebben een onzichtbaar gordijn opgehaald en me dichter bij Beethoven gebracht. Ze lieten de zon in zijn muziek doorbreken.

De jongste loten aan een rijke traditie zijn vrouwelijke (chef!)dirigenten, ensembles die met meespelende ‘muzikale leiders’ musiceren, zoals Amsterdam Sinfonietta, Holland Baroque en ook de Nederlandse Bachvereniging, of ensembles die een dirigent helemaal aan de wilgen hebben gehangen, zoals Pynarello. De effecten zijn verfrissend en spannend. Dirigenten blijken soms helemaal niet zo onmisbaar te zijn, soms misschien zelfs een sta-in-de-weg tussen publiek en orkest. Zit ik daarom bij Holland Baroque of Pynarello altijd op het puntje van mijn stoel? Of zie ik mezelf dan stiekem de lege plek voor het orkest innemen? Ach, misschien ben je als redacteur gewoon een gemankeerde dirigent. Ze zetten niet alleen snaren, rieten en koperen klepjes in beweging. Ze maken ook de tongen los, altijd een heerlijke bijvangst van een avondje genieten.