De Russen komen

In november 1988 verkeerde ik in een lichte roes. Ik was een maand in dienst als suppoost en barman bij Muziekcentrum Vredenburg en wist dat ik een droombaantje te pakken had. Als suppoost in de zaal betaald luisteren naar orkesten en wereldsterren, wie wilde dat nou niet. Als je achter de bar stond, dan had je het iets minder getroffen. Dan stond je een uur koffiekopjes (model verzorgingstehuisbakjes jaren zeventig) te stapelen en moest je je dubbele koffieketel (model distillatiekolom van een olieraffinaderij) op tijd aanzetten om er zeker van te zijn dat bij het begin van de pauze twee reservoirs met in totaal twintig liter grijze koffie voor het publiek klaarstonden. Maar als dat allemaal in kannen en kruiken was, dan stond niets je in de weg om nog even de Grote Zaal binnen te glippen. Zo stond het weliswaar niet in je handboek maar met de meeste collega’s kon ik wel een dealtje maken om in afwachting van de pauze het slotdeel van een pianoconcert of Te Deum bij te wonen.

Begin november ging er lichte siddering door het bedrijf. Directeur Peter Smids had er lucht van gekregen dat er Russen in de buurt van Nederland waren gesignaleerd. Niet het Rode Leger maar het Leningrad Filharmonisch Orkest onder aanvoering van Mariss Jansons. Ze trokken door West-Duitsland met Dmitri Sjostakovitsj’ Zevende Symfonie, de ‘Leningrad’. Onze directeur had uitgezocht dat er nog een gaatje zat in hun tourschema, of er was een concert uitgevallen, en stel nou dat het mogelijk was om… Het was een gok om de Russen over te halen om de Duits-Nederlandse grens over te trekken, maar ook weer niet zo’n grote gok. Het was de tijd dat je, in de woorden van Hoofd Marketing Mathieu Heinrichs, met ‘een paar welgemikte advertenties’ de Grote Zaal vol kreeg. Een beetje kunst- en vliegwerk was wel nodig, omdat de Russen zó kort voor de concertdatum op de radar verschenen, dat het niet meer in de maandagenda kon worden opgenomen. En, klein detail, alle communicatie verliep nog offline. Het summum van innovatie was een telefoon met druktoetsen en een IBM typemachine met een letterbolletje. We hadden sinds kort een faxmachine. En o ja, de Muur was ook nog niet gevallen. Gelukkig deden de advertenties hun werk en begin november kon de rode loper worden uitgerold voor het beroemdste orkest van de Sovjet-Unie. De Grote Zaal was strak uitverkocht.

Het concert was een verpletterend succes, een zegetocht voor Mariss Jansons en zijn troepen. Het publiek lag in de touwen en was tot tranens toe geroerd, ik ook. Sjostakovitsj componeerde zijn Zevende Symfonie tijdens het beleg van Leningrad door de nazi’s in 1941, en droeg het werk op aan de bevolking van de belegerde stad en de slachtoffers van de nazi’s, en in gedachten ook aan de slachtoffers van het Stalinisme. Vanaf de eerste uitvoering had het werk een mythische status, en een uitvoering door een orkest uit diezelfde stad door een dirigent van wereldformaat wilde je niet missen. Weinig symfonieën zijn met zoveel symboliek omgeven.

De ‘Leningrad’ nestelde zich in mijn kop en is daar nooit meer uit verdwenen. Sjostakovitsj werd een van mijn helden. Ongelofelijk dat er in diezelfde tijd toonaangevende Nederlandse muziekpausen waren die het genie en de integriteit van Sjostakovitsj ter discussie meenden te moeten stellen. Alles wat Sjostakovitsj over mijn andere held Aleksandr Glazoenov in de omstreden biografie Getuigenis zegt is waar, dus waarom zou hij liegen over Stalin? Al die vraagtekens en zure kanttekeningen bij Sjostakovitsj heb ik altijd afgedaan als gemeier van mindere, jaloerse goden, maar dat terzijde.

Om nog een heel andere reden maakte het concert een onuitwisbare indruk. Het orkest was min of meer halsoverkop uit West-Duitsland gehaald en had daarbij de eerste de beste vrachtwagen gehuurd die voorhanden was. De instrumenten werden vervoerd in loodzware kisten met her en der wat los zittende strips, uitstekende schroeven en versplinterd hout. Tientallen kisten, waaronder een dozijn voor contrabassen en twee harpkisten, alleen door zes man te tillen. Probleempje: die kisten hadden geen wieltjes. Ander probleempje: de vrachtwagen had geen laadklep. De oplossing: of de avondmedewerkers vrijwillig wilden meehelpen om met vereende kracht de instrumenten in de vrachtwagen te tillen zodat de Russen hun zegetocht door West-Europa volgens plan konden voortzetten. Dat liet ik me geen twee keer zeggen. Het duurde alles bij elkaar uren maar diep in de nacht was de klus geklaard. De score: twee winkelhaken en drie scheuren in mijn gloednieuwe bedrijfskleding. Ik kon direct een nieuwe set aanschaffen.

Muziekcentrum Vredenburg en TivoliVredenburg hebben veel illustere gezelschappen en dirigenten verwelkomd, de namen spreken boekdelen: USSR Staats Academisch Symfonie Orkest onder leiding van Jevgeni Svetlanov, Staatskamerorkest van de USSR met Viktor Tretjakov, Symfonieorkest van het Moskouse Bolsjoj Theater met Alexander Lazarjev, Koor & Orkest van de Kirov Opera St. Petersburg onder leiding van Valery Gergjev, het Tchaikovsky Symphony Orchestra Moscow met Vladimir Fedosejev, en dan laat ik er nog een paar weg. Een lange rij illustere pianisten en kwartetten sla ik over. Ons vijftienjarig jubileum vierden we in het seizoen 1992-1993 met een Extra abonnement ‘Russische Orkesten’. Ik was nooit zo van de opera’s maar na de uitvoering van Moessorgski’s Boris Godoenov door het Kirov Opera Orkest en Koor was ik om.

Solisten, Koor en Orkest van de Kirov Opera Sint-Petersburg zouden nog twee keer terugkeren, voor het laatst in maart 1996, voor een concertante uitvoering van Schoppenvrouw van Tsjaikovski. Het werd een historische uitvoering. Tot op het laatst was het onzeker of Valery Gergjev zou kunnen dirigeren. Hij was overwerkt, ziek en had 39 graden koorts. Maar hij liet zich niet uit het veld slaan en dirigeerde de complete opera, zij het dat hij zich veelvuldig moest vastklampen aan de reling van de bok, omdat hij werd geplaagd door een koortsdelirium. Na afloop liet hij zich niet voor een vierde keer terugroepen en dook vrijwel direct in bed. Alle concerten van de rest van de tour moesten worden afgezegd, jammer maar helaas voor Rotterdam en andere steden.

De lijst met sterke verhalen rondom Russische dirigenten, diva’s en orkesten is te lang voor een korte duik in het verleden. Nog één dan. Gennadi Rozjdestvenski was jarenlang kind aan huis. In het Concertgebouw wilde hij niet dirigeren omdat twee van zijn vrienden, de violist David Oistrach en de dirigent Kirill Kondrasjin, in Amsterdam kort na een concert waren overleden, dat zou hem niet overkomen. En zo kwam Utrecht vaker in beeld. Hij dirigeerde niet alleen symfonieorkesten maar ook Nieuw Sinfonietta Amsterdam (nu Amsterdam Sinfonietta), opgericht door Lev Markiz, ook al zo’n grote naam die we vaak konden verwelkomen in Utrecht. Aan de gelukkige samenwerking kwam een abrupt einde, vlak voor een concert. Rozjdestvenski was een ijdel mannetje dat erop toezag dat hem in biografieën voldoende lof werd toegezwaaid. Toen hij vernam dat hij niet in de biografie van nota bene Nieuw Sinfonietta Amsterdam werd genoemd, als dirigent met wie het ensemble veel en graag samenwerkte, ontstak hij in grote woede. Wat een omissie, hoe konden ze vergeten hem te noemen. Van het concert kon geen sprake meer zijn, ze zochten het maar uit. Hij verliet Utrecht, publiek en ensemble in verwarring achterlatend.

En zo kwamen en gingen er in de loop van de jaren vele Russen en Russinnen naar Utrecht. Misschien kom ik nog eens op ze terug. Want ik zie ze graag komen, vertegenwoordigers van een land waar de inzet altijd torenhoog is: bij componisten, orkesten, dirigenten en artiesten. Soms vliegen ze gierend uit de bocht, maar vaker voeren ze je naar de Zevende hemel. Een Russische invasie? Kom maar door: pazjalsta, spasiba, jizjo raz, da zvidanje i nazdarovje.