Natuurlijk, ik weet ook wel: vroeger was alles slechter. Maar misschien niet de artiestenfoyer van het oude Muziekcentrum Vredenburg. Het vormde het hart van het backstage-gebied, waartoe ook het Stemplein achter het podium van de Grote Zaal behoorde, het aangrenzende doolhof van solistenkamers, het krochtige, benedenvloerse gangenstelsel en de vele hoekjes en nisjes waar het goed toeven was tot in de kleine uurtjes. Het was de huiskamer annex praathuis van het Muziekcentrum, de plek waar voor en na concerten alles en iedereen samenklonterde: musici, solisten, dirigenten, regelaars, bewonderaars, personeel en crews van bands en artiesten.

Om er te komen legde zo’n beetje iedereen dezelfde weg af: via de artiestentrap vanaf de receptie naar beneden. Geen glitter & glamour Broadwaytrap met oplichtende treden en tierlantijnen maar een bochtig en hoekig geval met donkerbruine treden, omzoomd door betonstenen en afgezet met metalen, paars geverfde leuningen, vintage Herman Hertzberger. Maar het effect was hetzelfde als bij de ‘showdowns’ in Hollywood of Las Vegas. Iedereen in de artiestenfoyer kon zien wanneer een dirigent en zijn entourage hun entrée maakten, als godenzonen die afdaalden naar het ondermaanse. Iedereen legde dezelfde weg af naar het podium: de dichters van de Nacht van de Poëzie, blues-legenden bij de Blues Estafette en operadiva’s met hun hofhouding. De trap nivelleerde rangen en standen, de artiestentrap was onze grote gelijkmaker, iedereen daalde af naar hetzelfde niveau, op min één. Er was wel een lift, maar dat was een goederenlift waarvoor je moest omlopen, en om nou dezelfde weg te gaan als een piano, harpkist of een oplegger met twintig podiumstoelen, nee, dat deed je niet als je niet heel slecht ter been was.

Ook het binnendruppelen van orkest- en koorleden had iets kneuterigs, als waren het leerlingen die zich verplaatsten tussen de lesuren, stuntelend met cellokisten, rugzakken met blaasinstrumenten of vouwfietsen. Als je eenmaal was afgedaald, dan liep je min of meer tegen de centrale bar van de artiestenfoyer aan, met daarachter vaste barmedewerkers die iedereen kende, en die op hun beurt wisten wat er voor deze of gene klaar moest staan. In de loop van de jaren was het blad van de bar een soort kunstwerkje geworden, voorzien van tientallen rode-wijnringen en langwerpige, ingebrande peukplekken, die ontstonden als barvrouw Greetje haar peuk op de rand van het blad had gelegd, met de smeulende kop over de rand. Maar ja, dan duurde een bestelling langer dan verwacht, moest ze even naar het magazijn of stak ze een nieuwe sigaret op omdat ze had vergeten dat er ergens nog eentje lag te smeulen, waarna de bar was verrijkt met een nieuwe, wormvormige schroeiplek. Greetje had trouwens twee petten op. Jarenlang was ze bijna het enige bloemenmeisje van TivoliVredenburg, met haar spijkerachtige voorkomen en rookrimpels een opvallende verschijning op het podium van de Grote Zaal, zeker in contrast met Bommel-achtige dirigenten als Jevgeni Svetlanov en Oliver Knussen.

Achter de Grote Zaal was een smalle doorgang naar de publieksfoyer op de onderverdieping. Als je niets op het podium had te zoeken moest je daarlangs om in de zaal te komen. Ook de koffiekarren moesten erdoor, over geglazuurde, steenharde stoeptegels met oneffenheden en richels, pal achter het podium. Na de pauzes trok er dan een treintje van roestvrijstalen karretjes met ontelbare rinkelende glazen en kratten met porseleinen koffiekopjes langs de opgang naar het podium. Er moeten aardig wat adagio’s zijn aangevuld met slagwerklawaai van luidruchtige rinkelparades. En er is heel wat gefoeterd op barmedewerkers die zich in sneltreinvaart richting spoelkeuken spoedden. ‘Adagietto van Mahler V? Boeien!’ Het is weleens gebeurd dat zo’n kar ondersteboven viel, en ook niet alle losstaande wijnglazen bereikten heelhuids de veilige haven van de spoelkeuken. Ik kan me niet herinneren dat een dirigent er ooit voor aftikte. Maar er zullen best wel eens onhoorbare vloeken hebben geklonken vanaf de bok.

Diezelfde deur achter het podium was ook de deur die moest voorkomen dat ongenode gasten zich mengden onder de happy few in de artiestenfoyer. Daarvoor werd je dan als suppoost strategisch op een krukje gezet en was het je taak om pasjes en gezichten te controleren. Legendarisch was het verhaal dat directeur Peter Smids, zonder pasje, door een nieuwe en plichtsgetrouwe suppoost werd tegengehouden. ‘Directeur, dat kan iedereen wel zeggen. Ik moet een pasje zien en anders moet u er een aanvragen.’

Popconcerten waren wat betreft pasjes en backstage-controle een crime. Hoe beroemder de artiesten, hoe omvangrijker het stelsel van cirkels met telkens net iets minder belangrijke lakeien en slippendragers. En hoe groter hun naam, hoe kleiner doorgaans het hen omringende gevoel voor humor of relativeringsvermogen. Elke rang in de hofhouding had zijn eigen pasje: all area pasjes, VIP-pasjes, restricted area pasjes, backstage pasjes, cateringpasjes, fotopasjes, perspasjes… en wee je gebeente als iemand was gesignaleerd in een area of territorium waar hij of zij niet mocht komen. Het droeg allemaal bij aan de mythevorming rondom popartiesten. Ze stralen als zonnen in hun eigen planetenstelsel. Wie zei daar dat klassieke muziek elitair is? Daar had je die poespas veel minder. Als je het vriendelijk vraagt, kun je na afloop van een concert nog altijd een handtekening krijgen van Janine Jansen of Liza Ferschtman. Bij popartiesten kan dat ook wel, maar nooit backstage, en je betaalt ervoor, en flink ook.

Terugkijkend op die ietwat rommelige, onoverzichtelijke artiestenfoyer, met zijn rondslingerende krukjes, caféstoelen, tafels van multi-multiplex en de vijver met koikarpers komen huiselijke en kroegbeelden van Jan Steen in me op. Het was een natuurlijk eldorado voor fotografen, vooral festivals en de Nacht van de Poëzie waren goudmijnen. Suppoost en fotograaf Marco Borggreve maakte er zijn eerste foto’s van musici, artiesten en dirigenten. Nu is hij een van de beroemdste, misschien wel dé beroemdste fotograaf wereldwijd van musici, maar ooit zette hij letterlijk zijn eerste stappen als fotograaf van musici in de artiestenfoyer van Muziekcentrum Vredenburg. Hij heeft school gemaakt en is een begrip in de muziekwereld. Hij was de eerste fotograaf die musici niet als houten klazen en katrijnen achter het klavier of achter lessenaars fotografeerde, maar als levende en levendige persoonlijkheden, op andere plaatsen dan het eeuwige podium. Hij koos voor ogenschijnlijk nonchalante en spontane portretten met bijvoorbeeld alle instrumenten op een hoop, ergens in een artiestenfoyer, of klikte op het moment dat musici als groep op weg waren naar een vliegtuigtrap. Maar als je goed kijkt, dan zie je hoe dichtbij hij komt en hoeveel bezieling en bewondering erin schuilt. Misschien is het wat vergezocht, maar ik sluit niet helemaal uit dat hij die aanpak en werkwijze heeft bedacht en ontwikkeld in de artiestenfoyer van het oude Muziekcentrum Vredenburg.